Onder u zijn eeuwige armen. Op een gegeven moment was Joop Hoebee wakker geworden met die woorden. Toen ik die dag of misschien de dag erna in het ziekenhuis kwam, kreeg ik ze meteen om de oren. Dominee, dat staat ergens in de bijbel. U hoort te weten waar. Waar heb je anders een dominee voor? Natuurlijk. Met de hulp van wat elektronica kwamen we er achter: Deuteronomium 33:27. Een los woord uit het slot van de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf. Tegelijk in haar heel andere omstandigheden een woord van God zelf voor Joop Hoebee. Vanaf dat moment was ze rustiger, minder bang voor dat ze nóg een attaque zou krijgen, minder bang dat haar ene goede oog het ook zou begeven, minder van haar stuk door al die toestanden om haar heen in het ziekenhuis. Ook onder haar waren Gods eeuwige armen.
Intussen betekenden deze woorden voor haar méér dan een geruststellende herinnering aan wat altijd waar is. Het waren bevrijdende woorden. Ik heb de indruk dat maar weinig mensen echt iets wisten van de lange nacht van haar ziel. Misschien dacht u net wel bij dat lied over die duizend vragen: moet dat nu? paste dat zo bij Joop? Als er iemand was die direct en praktisch christen was, dan zij. Echt zo’n ouderwetse nuchtere Amsterdamse gereformeerde christen. Maar zeker de laatste jaren, lange jaren, was het stil aan de Amstelveenseweg. Hoeveel mensen er ook kwamen er was altijd tijd om na te denken, om met vragen rond te lopen. Vragen over of zij wel van God hield, vragen waarom ze daar dan niet van alles bij voelde, vragen of het met haar wel goed zou aflopen. Dominee, ik ben bang, zei ze op ons eerste gesprek, nog maar een paar maanden geleden, bang dat ik niet geloof.
Zelden ben ik zo boos terug naar huis gereden als na dat eerste gesprek met haar. Niet boos op haar, natuurlijk, maar boos op die versnijders van Gods boodschap. Ze hadden haar wijs gemaakt dat het niet goed was zoals zij christen was, niet genoeg, niet echt. Ze moest ook iets persoonlijks en iets bijzonders ervaren met God. Ze moest maar dit en dat en zus en zo, maar ja, zoals ze zei: daar had ik niks aan, daar kon ik niks mee. Jaren was ze zondag in zondag uit naar de kerk gegaan, vol verlangen naar een woord dat brood om te leven zou zijn, maar ze had telkens weer stenen voor brood gehad. En langzaam was het gif binnengedruppeld en was de angst gegroeid. Als het toch eens zo was, als het toch eens niet goed was? Ik snapte plotseling haar prachtige sceptische blik in de diensten, als ze me zat aan te kijken met iets van ‘welk oor ga je me nou weer aan naaien?’. Dominees zijn net als dokters: als je ze nodig hebt zijn ze er niet of heb je niks aan ze. Dat werd dus een lang gesprek in februari.
Nadien was de druk er af. De vragen waren niet meteen weg, en allerlei twijfels had ze altijd al gehad. Maar ze hoefde niet meer te zoeken naar iets bijzonders, naar emoties en ervaringen. Ze mocht weer thuis zijn en haar eigen geloof leven. Dat geloof dat zo heel precies beschreven wordt in de woorden die nu op het bericht van haar overlijden staan. Nu ik er achteraf over nadenk begrijp ik heel goed dat juist deze tekst bij haar boven kwam in het ziekenhuis. Het mocht weer tot haar doordringen dat het goed was zoals zij vroeger had leren geloven. Je mag ook geloven in een God in wie je kunt wonen, die er is in je leven als het huis waarin je 71 jaar woont, net zo vanzelf, net zo vertrouwd, net zo goed. Zonder veel gedoe, zonder allerlei persoonlijke emoties, gewoon stil. Onder je zijn eeuwige armen. Toen deze woorden tot haar doordrongen was ze weer thuis bij haar God. Geen wonder dat ze ook verder rustiger werd toen.
1923 is al lang geleden. Hoe lang drong zaterdag nog eens tot me door toen ik even Deuteronomium 33 opzocht in de trouwbijbel van de ouders van Joop Hoebee. Hun namen voorin, aan de andere kant van de bladzijde ruimte voor heel veel kindernamen, maar alleen Johanna Wilhelmina, 26 maart 1923 ingevuld. Ik heb geen idee van het verhaal van de lege bladzijden daarna, maar het was verdrietig om ze om te slaan in de kamer naast waar zij gestorven was. Even proef je dan weer die oude wereld van de Statenvertaling met kanttekeningen, van de oude psalmen, van de catechismus, van een manier van leven met God en mensen die toen heel gewoon was. Ja, het huis was ook door Patrimonium gebouwd, ooit. Dat was ook een wereld waarin God er was, eenvoudigweg. Geen wonder dat deze woorden uit Deuteronomium toen bekend waren, trouwtekst, begrafenistekst. Je woonde in God, in de eeuwige God, en zijn eeuwige armen waren onder je. Dat was goed. Leven was al zwaar genoeg. Voor emoties en relaties was helemaal geen tijd.
Geloven was echt veel meer een huis om in te wonen. Eeuwen geleden al, in 1563, hadden gereformeerden hun huis de naam ‘troost’ gegeven, plek om tot rust te komen, blij dat je niet aan jezelf, de mensen en de wilde dieren overgelaten was, maar het eigendom van je trouwe Heiland Jezus Christus. Dan had je troost in leven en sterven. Daar hoefde je niet speciaal een relatie voor met Jezus te hebben. Het gewoon aannemen was genoeg. Het huis binnenlopen, gaan zitten, je benen strekken onder de tafel, en een bakkie doen. Waarom ook niet? De eeuwige God is u een woning, en onder u zijn eeuwige armen. Waarom het ingewikkelder maken?
Ja, waarom eigenlijk? Nou ja, wij hebben onszelf en elkaar wijs gemaakt dat al die oude huizen om in te wonen vervallen en ingestort zijn. Hoe mooier en luxer onze woonhuizen worden, des te eenzamer zwerven we tussen de ruïnes van de West-Europese cultuur, altijd op zoek naar relaties, naar iemand die onze hand even vasthoudt, die ons een arm om de schouder legt, even laat voelen dat we er toch nog wel mogen zijn. Als je nergens meer een plek hebt om thuis te komen, waar je welkom bent gewoon als de mens die je bent, hangt alles aan je relaties. En dus moet het bij geloven en bij God en zo toch ook wel om relatie gaan. Een plek om er gewoon te zijn mag de kerk niet wezen. Stel je voor dat je ergens gewoon binnen kon lopen, gaan zitten, je benen strekken onder de tafel, een bakkie troost doen, en dat er dan gewoon van je gehouden zou worden, dat je echt helemaal tot rust zou kunnen komen. Dat kan toch niet waar zijn. Stel je voor dat er toch nog zo’n huis zou zijn, ergens, waar je thuis kunt komen, thuis.
Stel je je dat rustig voor, zou ik zeggen, want dat is nog steeds de goede boodschap van de levende God. Het was zijn boodschap voor Joop Hoebee, heel persoonlijk: de wereld waarin je bent groot geworden is voorbij maar ik ben nog altijd het huis waarin jij kunt wonen en onder je zijn mijn eeuwige armen. Laat het je gewoon maar geven. Je mag bij hem binnen lopen, gaan zitten, je benen strekken, een bakkie doen en tot rust komen omdat er Iemand echt en helemaal van je houdt. Jezus is al zo’n tweeduizend jaar geleden voor je gestorven — en nog voor heel veel meer ook — je hoeft hem echt niet ‘in je hart’ te krijgen of zo, voor dat ook voor jou geldt. Gewoon willen dat het ook voor jou geldt is genoeg. Geloven is als in de zon gaan zitten en ervan genieten hoe heerlijk warm hij schijnt. De rest maakt het maar nodeloos ingewikkeld. De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Nou, loop binnen dan, schuif aan, geniet van onverdiende zaligheden, van genade, van redding en bescherming, van zoveel.
Laten we er maar van zingen: Alle roem is uitgesloten.
orde
orgelmuziek vooraf
welkom, votum en groet
zingen Psalm 73,9.10
gebed
Schriftlezing Jesaja 40:27-31
zingen NGK 150
meditatie Deuteronomium 33:27
zingen NGK 140
woord familie
muzikaal intermezzo Pie Jesu
gebed Roel
zingen NGK 99
muziek bij het weggaan slotkoraal Johannes-Passion
bij het graf
geloofsbelijdenis
onze Vader
zegen
gehouden te
Amsterdam-ZW 3 mei 2007 (begrafenis Johanna Wilhelmina Hoebee)